‘Laatste wedstrijd voor de oorlog – EEN SOMBERE BLADZIJDE’, noteerde Henk Zon op 6 mei 1940 met hoofdletters in zijn dagboek na de wedstrijd SVV 2 – Excelsior 2 (3-3). Vier dagen later vielen de Duitse troepen Nederland binnen. ‘Dus Oorlog’, schreef de toen 23-jarige Zon, twaalf jaar voordat hij voorzitter van Excelsior werd.

Rotterdam brandde op 14 mei 1940. In slechts dertien minuten lieten de Duitse Luchtwaffe bijna 1.300 bommen vallen op de stad. Ook de wijk Kralingen werd getroffen, maar terrein Woudestein bleef gespaard. Toch verloor het Excelsior-bestuur de controle over het complex, want net als veel andere sportterreinen werd ook Woudestein door de Duitsers bezet. Een week later installeerden Duitse luchtafweertroepen zoeklichten en hoorapparaten op het terrein om vijandelijke vliegtuigen te detecteren. Een kleine maand later kon er weer op het bijveld getraind worden, maar het hoofdveld en de kleedkamers bleven in Duitse handen.

Maar op 6 augustus 1940 moesten de Kralingers de training staken, omdat zwaar afweergeschut achter het veld werd geplaatst en het daardoor te gevaarlijk werd. Op diezelfde avond bereikt Henk Zon het gerucht dat het hoofdveld mogelijk vrijkwam, wat elf dagen later werkelijkheid werd. ‘Dus nu aan den arbeid’, schreef hij in zijn voetbaldagboek. Op 20 augustus werd de training hervat, al stond het zware afweergeschut nog steeds achter het veld. Hoewel Woudestein het bombardement had overleefd, liet de Duitse bezetting haar sporen na. ‘Er moeten nog al veel nieuwe graszoden ingebracht worden. Ook nieuwe banken in ons kleedlokaal en nog enkele andere werkjes’, schreef Zon.

Nieuw geschut
Pas in de zomer van 1944 dook er opnieuw onzekerheid op in het gebruik van het terrein. De Duitse Wehrmacht had plannen om palen op het veld te plaatsen als anti-zweefvliegtuigverdediging. Op 31 juli werden 29 palen op het bijveld geslagen. Voor het hoofdveld werd nog uitstel verleend: daar zouden de palen misschien in kokers worden geplaatst, zodat deze tijdelijk verwijderd konden worden tijdens wedstrijden.

Op 7 september 1944, toen de Duitsers wederom geschut achter de ‘jongenstribune’ plaatsten, stonden er nog altijd geen palen op het hoofdveld. Tien dagen later noteerde Zon: ‘Het hoofdveld is in uitstekende conditie. Terwijl ik dit zit te schrijven is het vliegtuiggeronk weer niet uit de lucht. Het is te hopen voor de gehele mensheid dat de oorlog gauw tot een einde komt.’ Het was eindelijk zover in mei 1945. Maar de laatste oorlogsmaanden waren de zwaarste. Door de brandstoftekorten in de hongerwinter werd alles gebruikt om te stoken. Bomen en houten gebouwen werden gesloopt en ook Woudestein liep gevaar. De houten tribunes waren een gewilde prooi voor brandstofzoekers.

Nachtbewaking
Begin mei was er weinig meer over van de gemeentelijke kleedlokalen en de hoofdingang van Woudestein. Ook de Duitse uitkijkpost werd gesloopt. Deze viel om, waardoor ook een deel van het hek achter de jongenstribune sneuvelde. Samen met Jan van der Voordt, Willem Appello en Piet Stolk spande Zon prikkeldraad om het terrein, in een poging het te beschermen. ‘Ik noem het geen roven, daar ik mij de ellende best kan begrijpen zonder brandstof te zitten!’

De bevrijding op 5 mei 1945 veranderde daar weinig aan. Tien dagen later besloot het bestuur dat Woudestein ook ’s nachts bewaakt moest worden totdat er weer gas was. Erelid Willem Appello organiseerde de nachtwacht. ‘Een spaandertje gekaapt in een onbewaakt ogenblik had voldoende geweest om zich als sprinkhanen te storten op onze accommodatie’, stond in het eerste clubblad na de oorlog. ‘Door het aanstellen van extra bewakers is het ons gelukt de schade aan onze accommodatie tot een minimum te beperken’.

De nachtploeg bestond uit Henk Zon en de broers Chris en Henk Ernst. ‘Nel is het er wel niet helemaal mee eens, dat ik dat doe, maar tenslotte vond ze het toch goed’, schreef Zon over zijn vrouw. ‘Het zou zonde zijn, als ons veld wat wij zelf opgebouwd hebben, zo maar in enkele dagen gesloopt zou worden.’