Een elleboog, extra hoge noppen of een rottrap. Zo ruimde Ton Pattinama begin jaren tachtig samen met Koos Waslander het vuile werk op het middenveld op. Zijn familie reisde hem in een Volkswagenbusje achterna, met broers Peter en Richard voorop. Later richtten de twee De Mannenhoek op, terwijl ook het hart van Ton roodzwart gekleurd bleef. “Waar ik ook speelde, ik wilde altijd gelijk weten wat Excelsior had gedaan.”
Samen met broer Peter – “Richard niet, hij was een stuk jonger” – voetbalde Ton van jongs af aan altijd op een groot schoolplein in hun straat in Crooswijk. “Willem van Hanegem stond af en toe te kijken en vroeg aan onze moeder wie Ton was. Hij zei: je moet naar een betaald voetbalclub gaan”, herinnert Peter zich direct. Jaren later legde Van Hanegem als assistent-trainer bij FC Utrecht aan Ton Pattinama uit hoe hij zijn krachten beter kon verdelen over de wedstrijd. “Ik viel natuurlijk op, want ik speelde altijd met Peet, die al moeite had met gewoon lopen”, zegt Ton lachend. “Het was nog echt volks op dat pleintje. Om zes uur hing moeder uit het raam en moesten we naar boven om te eten. En om vijf over zes liepen we weer naar beneden.”
Ton speelde bij Eureka, aan het Toepad bij de Van Ghent Kazerne, toen hij op zesjarige leeftijd door Excelsior werd benaderd. “Vanaf dag één zeiden ze: als je wil, kan je bij ons komen spelen.” Ook Peter en Richard – in 2015 oprichters van De Mannenhoek – speelden enige tijd voor Excelsior, maar het was hun broer die het beste een balletje kon trappen. De twee broers speelden inmiddels bij de amateurs van SVS in Capelle aan den IJssel toen ze stad en land afreisden om Ton in actie te zien bij het eerste van Excelsior.
Ton: “Toen we als spelers nog met de trein gingen, gingen mijn ouders, oma, oom en broers altijd met zeven of acht man in het Volkswagenbussie. Er kwamen nog maar heel weinig mensen naar uitwedstrijden, maar zelfs in de regionale jeugd ging heel de familie altijd mee. Naar Duinkerke, maar ook naar Duitsland.”
‘Dan ken er niks gebeuren’
Onder Thijs Libregts stoomde Ton vanaf de regionale A-jeugd door tot hij in 1975 al op zeventienjarige leeftijd – “het tweede heb ik bijna overgeslagen” – bij het eerste terechtkwam. “Ik vergeet de allereerste training nooit meer. Ik kom die oude kleedkamer achter de goal binnen en iedereen zat daar. Eddy van der Roer (doelman, red.) zei: kom jij maar hier zitten zwarte, kom maar bij mij. Dan ken er niks gebeuren. Vanaf minuut één was het ijs gebroken.” Gewoon je ding doen, zoals altijd, gaf de bijna tien jaar oudere Van der Roer hem mee.
Vanzelfsprekend was die onderlinge zachtheid in de selectie niet. Ton verwijst naar de periode waarin veel Feyenoordspelers aan Excelsior werden verhuurd. “Dan zei Bob Janse of Thijs Libregts: die en die komt eraan, pak hem effe aan. Rinie Plasmans, Mike Snoei of Carlo de Leeuw bijvoorbeeld. Allemaal gasten die dachten: ik kom van Feyenoord, ik doe het wel even. Die werden gewoon écht hoog afgeschopt en dan was dat gelijk klaar. Vaak in opdracht van de trainer. Toen kon dat nog.”
Of neem Cor Pot, die in 1975 van Haarlem overkwam. “Hij kwam hier voor z’n eerste training en was bang om vuil te worden. Dus ik ga een duel aan en geef hem uit het niets een elleboog.” Later die avond liep Pot nota bene een modeshow bij de Bijenkorf. Dus trok Pattinama met een groepje spelers naar de stad, om Pot vanaf de roltrap te bekogelen met dropjes en nootjes.
Frans Meijer kreeg het ook te verduren, in de trein op weg naar een uitwedstrijd. “We zaten te kaarten en stonden stil op het perron. Daar had je toen nog een gozer met een karretje lopen, dus Frans draait het raampje open en gaat naar buiten hangen om wat te eten te halen. Dus wij draaien dat raampje dicht, trekken z’n broek naar beneden en lopen weg.”

Uitgestorven ras
Ook op het veld, daar waar het uiteindelijk om draait, was Ton een harde. Hier en daar een elleboog als niemand keek, extra hoge noppen, of het in de spelerstunnel spugen van de tegenstander in het gezicht. Voorstopper René van Eck – “een heel lief ventje” – gaf hij het advies mee “de eerstvolgende tegenstander gewoon een elleboog te geven”. Inmiddels zijn voetballers van het type Ton Pattinama uitgestorven ras. “Maar dat is ook logisch. Het intimideren hoorde er vroeger bij. Met al die camera’s kan je tegenwoordig niets meer doen.” Maar of vroeger beter was? “Laten we eerlijk zijn: dat was niet zo. Vroeger was het anders. Iemand blesseren wilde je niet, maar je pakte hem wel hard aan. Maar dit soort dingen kunnen absoluut niet meer. En ik weet ook niet of wij het in deze periode gered zouden hebben.”
Zijn vader was een Molukker, maar wilde niet dat zijn kinderen de Molukse mentaliteit zouden krijgen. “Want die is: komt het vandaag niet, dan morgen wel. Daarom zijn we in Crooswijk geboren.” Het pittige spel van Ton is daar op het pleintje gevormd. “En naderhand komt daar wel het Molukse bij kijken.” Bij Excelsior speelde Ton enkele jaren samen met de eveneens Molukse Ronny Roos en kregen ze de meest verschrikkelijke dingen over zich heen. “Ronny ging eraan onderdoor. Bij mij was het andersom. Hoe harder ze tekeergaan, hoe fanatieker ik word…”
Samen met de familie reisden broers Richard en Peter Excelsior dus overal achterna. “Het is je broer, je bent hartstikke trots”, zegt Peter. “Maar het is altijd mijn club geweest.” En dan vliegt de ene na de andere anekdote over de tafel in de bestuurskamer van Sportclub Excelsior, waar we met de drie broers spreken.
Op pad met de AKAI-letters
Zoals Fortuna Sittard-Excelsior in de eerste divisie op 7 mei 1978. Richard en Peter gingen er met georganiseerd busvervoer heen, wat bijzonder was in die tijd. “Het was een topwedstrijd en twee gastjes hadden het initiatief genomen om een bus te huren en hoopten 50 man te hebben. Het was iets van 17,50 gulden per persoon. Maar de chauffeur wist de weg niet goed. Dus komen we om 4 over half 3 aan en stappen we de bus uit. Gejuich. Wij die trap naar boven. En weer gejuich. 2-0 achter.” Een krankzinnige wedstrijd volgde. Excelsior won in de laatste minuut met 5-6. “Dick Ernst maakte de winnende” weet Richard 45 jaar later nog goed.
“Of wat denk je van die wedstrijden tegen FC Utrecht”, vult Ton aan. Hij doelt op het seizoen 1983-1984, waarin Excelsior uit met 7-4 verloor om thuis met dezelfde cijfers te winnen. Peter: “Zo zijn er zoveel wedstrijden. Neem de afscheidswedstrijd van Wim Jansen in de Kuip. 0-4 Excelsior.” De houten staantribune op Woudestein heette destijds de AKAI-tribune, waar in grote letters de naam van de sponsor was vastgeniet. “Die hadden we eraf getrokken voordat we naar De Kuip gingen”, zegt Richard. “En dan gingen we met de tram, allemaal een letter mee.”
Ton: “Het waren maar vier letters.”
Richard: “Ja, en we waren met z’n vieren.”
Peter: “En dan nog met de letters verkeerd. KAAI stond er.”
Door het vuur voor Jacobs
Na de promotie in 1982 werd Rob Jacobs trainer van Excelsior en beleefde Excelsior de beste periode in de clubhistorie. Ton Pattinama maakte er de eerste twee jaar van mee, waaronder de negende plek in 1982-1983. “Jacobs was niet de beste trainer die ik heb gehad. Geen slechte trainer, want anders kan je niet bereiken wat hij bereikt heeft. Maar hij kon je vooral tot op het bot motiveren. Je ging écht door het vuur voor hem. Toen ik later zelf trainer werd bij de amateurs, heb ik het meeste van Jacobs meegenomen. Omdat hij een situatie creëerde die ik ook altijd wilde creëren. Als het voetballend niet gaat, mouwen opstropen en voor elkaar én de trainer door het vuur. Mensen willen zien dat je 90 minuten lang je mouwen opstroopt. Zij associëren zich met jou in het veld en zeggen dan: dat is een gozer naar m’n hart. Hij speelt niet goed, maar werkt wel keihard.”
Eigenlijk is er maar één trainer geweest waar hij voetbaltechnisch nog altijd niet over te spreken is en dat is Hans Dorjee, onder wie Excelsior in 1982 promoveerde. “Ik kon het fantastisch met hem vinden, maar het was geen goede trainer.” Thijs Libregts staat daarentegen het hoogst in het vaandel. “Maar goed, dat komt ook omdat hij me vanaf mijn zestiende tot hij naar PSV ging heeft vertrouwd. Hij heeft zelfs nog een poging gedaan om mij mee te nemen naar Eindhoven.” Daarna, lachend: “Alleen het bestuur van PSV was daar niet zo blij mee.”
Peter: “Je kon toch ook nog een keer naar Feyenoord?”
Ton: “Ook afgeketst.”
Peter: “Ik weet waarom…”
Ton: “Omdat ik met Hans Kraaij jr. zijn zus ging? Daar heb ik vier jaar mee samengewoond.”
Peter: “Je had toen nog discotheek Bristol op het Hofplein. Ton lag altijd al om tien uur ’s avonds in bed, omdat hij moest voetballen. Ik ging lekker stappen. Maar sommigen verwarden ons weleens en dachten dat ze Ton Pattinama tot vijf uur ’s nachts in Bristol zagen dansen.”
Ton: “Als ze het goed hadden gezien, wisten ze dat ik niet kon dansen.”

Wegcijferen voor Frans Struis
De allerbeste waar Ton Pattinama in zijn negen jaar bij Excelsior mee heeft gespeeld, noemt hij zonder twijfel Frans Struis, met wie hij samen met Koos Waslander het middenveld vormde en van wie hij veel leerde. “Frans was de technicus en de man van de lange passes en Koos en ik de mannen van het vuile werk. Kijk, wij gaven 110 procent en dan kon Frans op 70 of 80 procent spelen. Op het moment dat wij onszelf wegcijferen voor iemand en we daar profijt van hebben, is dat geen probleem. Wij werkten graag voor hem. Hij had een pass in z’n poten, dat was echt niet normaal.”
Ton Pattinama en Frans Struis trokken veel met elkaar op. “Ik woonde nog thuis bij mijn ouders en ging met hem mee naar zijn huis en at daar met hem en zijn vrouw mee, zo ging je met elkaar om. Hij had ook humor. Stonden we thuis tegen SC Amersfoort met 3-0 voor en liepen er mensen achter hem weg. Zei hij: hé, waar ga je naartoe? Het is nog niet afgelopen.”
Peter herinnert zich vooral de keepers en noemt naast Eddy van de Roer John Balentien. “Een beer van een vent. Pakte onmogelijke ballen, maar liet tegelijkertijd de makkelijkste door.” Richard gaat minder ver terug en noemt Jordy de Wijs – “omspeelde twee aanvallers en legde een streeploze pass over veertig meter bij iemand op de stropdas” – maar komt uiteindelijk ook terecht bij zijn iconen Frans Struis en Henk van Goozen.
Kortstondige bijbaan
Na zo’n vier jaar als semiprof werd Ton een van de weinige fullprofs in de selectie van Excelsior. Maar ook in zijn tijd als semiprof gooide hij alles op het voetbal. “We hebben af en toe wel samen gewerkt”, herinnert Peter hem. Ton: “Maar goed, dat stelde niks voor. Op de varkensslachterij één dag. Ik zag die beesten liggen en zei: ik ben weg hier. Cees van de Munnik nam me ook mee naar de PTT. Dat duurde een week. Ik had toen een BMW, pleurde die post erin en liep ik Schiebroek af. Maar het begon twee keer te regenen en toen was ik het zat.”
Penningmeester bij Excelsior destijds was Martin Borneman. “Een centenkakker, maar wel goed voor de club”, aldus Ton. “Op 30 oktober moesten we geld krijgen, maar op 31 oktober hadden we nog niks. Borneman zei: jongens, het geld ligt klaar maar ik heb het thuis. Dan moesten we naar de Alexanderpolder op z’n flatje en kregen we een enveloppie.”
Bij Excelsior zitten volgens Ton altijd “de juiste mensen op de juiste plek” en dat is een sterk punt van de club. Zoals oud-voorzitter Jaap Bontenbal. “Ik zat in militaire dienst toen we Roda-uit moesten spelen, een heel belangrijke wedstrijd. Ik zat in Den Bosch in dienst en toen kwam Bontenbal me met de auto halen om naar Kerkrade te gaan. En na de wedstrijd bracht hij me weer terug. We wonnen daar met 0-1 en ik scoorde.”
Excelsior op één
Hoewel Ton moet toegeven dat hij zijn mooiste tijd bij FC Utrecht speelde, met name omdat hij daarmee Europees voetbal haalde, hield Excelsior altijd een speciaal plekje in zijn hart. “Dat staat buiten kijf. Hier ben ik groot geworden. Waar ik ook speelde, ik wilde altijd gelijk weten wat Excelsior had gedaan. Ook als we zelf hadden verloren. Dat werd me niet altijd in dank afgenomen, maar dat interesseerde met geen klote.”
En waar hij ook speelde, overal zocht Ton Pattinama nadrukkelijk naar de klik met supporters. “Sponsors, tuurlijk heb je ze nodig. Bestuur, tuurlijk is dat belangrijk. Maar ik zat liever met supporters. Ook al speelde ik zo slecht, als de supporters met me gingen meedoen kon het niet meer stuk. Een sponsor zegt dan nagemaakt dat ik goed heb gespeeld terwijl ik van mezelf weet dat ik dat niet deed.”
Zichzelf wil Ton Pattinama niet eens vergelijken met een bovengemiddeld goede voetballer. “Ik heb altijd gezegd: er is maar één speler waarmee ik heb gespeeld die minder was dan ik. En dat was de keeper. Alleen door mijn inzet en mentaliteit heb ik het twintig jaar volgehouden.”
TON PATTINAMA
Debuut als zeventienjarige
Middenvelder Ton Pattinama (1956, Rotterdam) kwam op zesjarige leeftijd terecht bij Excelsior en debuteerde op zijn zeventiende in het eerste elftal. Van 1975 tot 1984 speelde hij meer dan 150 wedstrijden voor de Kralingers en maakte hij het begin van ‘de gloriejaren’ mee. Daarna speelde hij achtereenvolgens voor FC Den Bosch, FC Utrecht, Heracles Almelo en ADO Den Haag.
In 1992 stopte Pattinama als profvoetballer en in 2004 werd hij voor bijna twintig jaar hoofdtrainer bij de Vlaardingse amateurs van Deltasport. Ook speelde hij enkele wedstrijden voor het Moluks elftal. Nog altijd is hij elk seizoen meerdere wedstrijden op de tribune van Excelsior te vinden.
Zijn broers Richard en Peter speelden eveneens in de jeugd van Excelsior, reisden stad en land af om hun broer in actie te zien en zijn tegenwoordig alom bekend van De Mannenhoek. Met een groep van acht zijn de broers elke thuiswedstrijd in hun bekende rode jassen te vinden op het balkon voor het supportershome, tussen de Henk Zon-tribune en RVP in.
De zoons van Ton, Jordão en Edinho, speelden ook kortstondig in het profvoetbal. De eerste kwam enkele duels in actie voor Feyenoord en Excelsior en zijn tweelingbroer deed dat bij NAC Breda.
